[Verboden] Oranje petunia

De tuinpetunia (Petunia axillaris) heeft van oorsprong witte bloemen. Zijn uiterst zeldzame broertje de rode petunia (Petunia exserta) heeft rode bloemen. Recent verschenen plotseling oranje petunia's in de handel en dat was vreemd.
Sommige kenners menen dat deze oranje kleur alleen verkregen kan worden door genetische manipulatie. Op zich geen probleem, maar genetisch gemodificeerde planten mogen alleen op de Europese markt gezet worden, nadat deze aan een specifieke toelatingsprocedure zijn onderworpen. En dat is in dit geval niet gebeurd. Er is dan ook geen autorisatie voor het importeren, kweken of vermarkten van dergelijke soorten binnen de EU lidstaten.

Uit analyses van Evira, de Finse voedsel- en warenautoriteit, bleek een partij petuniazaad (African Sunset) en acht reeds bij kwekers geplante variëteiten genetische gemodificeerd te zijn. Mogelijk, zo denk men, is de oranje kleur verkregen door invoeging van een gen afkomstig uit maïs. Het betreft de rassen Pegasus Orange Morn, Pegasus Orange, Pegasus Table Orange, Potunia Plus Papay, Go! Tunia Orange, Bonnie Orange, Sanguna Patio Salmon en Sanguna Salmon.

Evira heeft besloten de verkoop van zaadjes en stekjes van een oranje petunia een halt toe te roepen. Ten gevolge van dit besluit zullen de planten en het zaad worden vernietigd en reeds uitgeleverde planten bedoeld voor vermeerdering worden teruggeroepen. De genetisch gemodificeerde petunia’s vormen geen gevaar voor mens of milieu.

Maar, zo is natuurlijk de vraag, waar kwamen die oranje petunia's vandaan. De zaadjes en het uitgangsmateriaal van de petunia is in Finland geïmporteerd vanuit Duitsland en Nederland.
[Petunia Night Sky]
Toch geloven sommigen dat de oranje petunia zelfs via natuurlijke weg gekruist kon worden, omdat met deze soort middels conventionele methoden al zo veel kleuren en vormen zijn te creëren. Kijk maar naar de petunia Night Sky: een nieuw kleurenpatroon dat op de conventionele manier verkregen is.

Bergcentaurie

Ik moet eerlijk toegeven dat de bergcentaurie (Centaurea montana) aantrekkelijk genoeg uitziet om hem in je voortuin te willen hebben. Met een naam als bergcentaurie snapt iedereen dat bergachtige gebieden ooit zijn domein moet zijn geweest. Dat klopt, want deze soort is inheems in de zuidelijke Europese bergen. Als we iets specifieker willen zijn, dan kunnen we melden dat hij daar groeit in weilanden en open bossen, waar de zon vrij spel heeft. De plant zelf kan een hoogte bereiken van zo'n 70 centimeter. De bergcentaurie bloeit van mei tot augustus met prachtige lila tot paarse bloemen.
[Foto: Bauke Koster]

Zoals gezegd is de bergcentaurie aan leuke plant om in je tuin aan te planten, maar tegelijkertijd bestaat de mogelijkheid dat ook deze soort zal pogen te ontsnappen. Geen wonder dus dat we deze plant steeds vaker op plekken aantreffen waar hij nimmer is aangeplant. Sommige tuineigenaren zullen zich achter de oren krabben wanneer ze onverwacht een exemplaar in hun tuin aantreffen. Natuurlijk is het een leuke plant, maar toch kan ik me voorstellen dat niet iedereen zo'n dwaalgast in zijn keurig aangelegde perkje wil hebben en houden.

De bergcentaurie heeft de vervelende neiging om ecosystemen te domineren indien de voorwaarden daartoe goed genoeg zijn. Veel familieleden van deze soort zijn – vooral in Noord-Amerika – zo in aantal uitgebreid dat men ze als invasieve soort zijn gaan beschouwen. Het lastige is ook dat, als je hem uitgraaft, er maar een klein stukje wortel hoeft achter te blijven en de plant begint zijn leven gewoon weer opnieuw.

In Midden- en Zuid-Europa werd de bergcentaurie ooit ingezet voor diens medicinale eigenschappen. Een extract zou een middel zijn om vermoeide ogen tot rust te brengen. Uiteraard meende men dat het grootste positieve effect te behalen was bij blauwe ogen, een overblijfsel van de Middeleeuwse signaturenleer. De gedroogde bloemen zouden hoesten tegengaan, ietwat vochtafdrijvend zijn en een milde zuiverende werking hebben. Ook zou spoelen kunnen helpen tegen bloedend tandvlees en druppelen zou weer helpen bij een ontstoken slijmvlies (of bindvlies) van het oog (conjunctivitis). Het probleem is echter dat de werking nooit wetenschappelijk onderzocht is. Het is dus een kwestie van geloof en hopen op een goede afloop.

Tenzij je in homeopatie gelooft, dan geloof je álles.

Rode worm van oesters

Soorten die geïntroduceerd worden in een ecosysteem kunnen indirect gevolgen met zich meebrengen voor de inheemse fauna. Zo heeft de Japanse oester (Crassostrea gigas) met zijn introductie een parasiet met zich meegebracht: de rode worm van oesters (Mytilicola orientalis). Jawel dit is internationaal gezien zijn geaccepteerde naam. Zijn broertje heet (vertaald) de rode worm van mosselen (Mytilicola intestinalis). Die naamgeving lijkt verhelderend, maar de rode worm van oesters is tegenwoordig ook te vinden in mosselen, kokkels en nonnetjes.
De Japanse oester is misschien wel de meest bekende exotische soort in de Waddenzee. Deze oestersoort is geïntroduceerd vanuit Oost-Azië en is via West-Canada voor de commerciële kweek in Nederland terechtgekomen[1]. Maar tegelijkertijd is de rode worm van oesters, een parasitair roeipootkreeftje, meegelift. In het Zeeuwse Deltagebied is de parasiet al in de jaren ’90 van de vorige eeuw waargenomen, maar waarnemingen in de Waddenzee bleven uit tot 2011. Deze soort is inheems in het noordwestelijk deel van de Stille Oceaan. Dit mini-monster is een roeipootkreeftje buiten de weekdieren en vermomd zich als een worm in de weekdieren.

Recent hebben onderzoekers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) gekeken of deze parasiet ook leeft in andere weekdieren. Onderzoeksmonsters zijn genomen op mossel- en oesterbanken rondom Texel, bij het Duitse Waddeneiland Sylt en in en nabij de Oosterschelde. In totaal hebben de onderzoekers 3416 individuele dieren van elf verschillende weekdiersoorten onderzocht op aanwezigheid van parasieten. Ze troffen ze niet alleen aan in Japanse oesters (18,9% van alle individuen had de parasiet) en mossels (31,3%), maar ook in kokkels (3,3%) en nonnetjes (0,4%). Ze bleken geheel afwezig in muiltjes, strandgapers, Amerikaanse zwaardschedes, platte slijkgapers, alikruiken, platte oesters en tapijtschelpen[2].

De onderzoekers vroegen zich af of de Japanse oester een host zou kunnen zijn van een al eerder geïntroduceerde parasiet, de rode worm van mosselen. Deze parasiet, die nauw verwant is aan de rode worm van oesters, heeft in de jaren vijftig en zestig in de Noordzee gezorgd voor massale sterfte van mossels. Deze soort werd echter bij het onderzoek niet meer gevonden in Japanse oesters noch in andere schelpdiersoorten dan de mossel. Die soort is óf verdreven door de rode worm van oesters óf de weekdieren hebben hun afweer aangepast.

Of de rode worm van oesters ook tot massale sterfte zou kunnen leiden, is nog onbekend. Maar dat de parasiet zich uitgebreid heeft onder meerdere inheemse soorten, maakt het aannemelijk dat er effecten op het ecosysteem zijn. Welke dat precies zijn, is onderwerp van vervolgonderzoek.

[1] Goedknegt et al: Spillover but no spillback of two invasive parasitic copepods from invasive Pacific oysters (Crassostrea gigas) to native bivalve hosts in Biological Invasions - 2017
[2] Goater, Weber: Factors affecting the distribution and abundance of Mytilicola orientalis (Copepoda) in the mussel, Mytilus trossulus, in Barkley Sound, B.C. in Journal of Shellfish Research - 1996

Verhoogd risico op aardappelmoeheid

In de Nederlandse zetmeelaardappelgebieden grijpt Globodera pallida (Pa), een van de veroorzakers van aardappelmoeheid, weer snel om zich heen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) waarschuwt hier voor een toegenomen virulentie.

Onderzoek heeft Pallida-populaties in beeld gebracht die zich sterk vermeerderen op resistente rassen. De oorzaak van deze ongewone vermeerdering is uitselectie van meer virulente nematoden. De uitselectie vindt plaats bij veelvuldig gebruik van resistente rassen, wat betekent dat de nematode zodanig muteert dat hij toch de resistentie kan verbreken. Door de toename van de virulentie lopen aardappeltelers het risico dat aardappelrassen, die nu nog resistent zijn tegen aardappelmoeheid, toch door de plantenziekte worden getroffen.
De toegenomen virulentie heeft voor getroffen telers grote gevolgen voor de beheersing van aardappelmoeheid. Het is van groot belang om de percelen vrij te houden van een virulentere populatie. Wanneer de toegenomen virulentie aanwezig is, zijn alleen zeer ingrijpende maatregelen zoals inunderen geschikt om van een besmetting af te komen.

Verspreiding van virulente populaties moet worden tegengegaan, bijvoorbeeld door apparatuur goed schoon te maken bij wisseling van percelen. Ook voor telers buiten het zetmeelaardappelgebied is extra waakzaamheid geboden. Voor hen is het belangrijk dat zij voorkomen dat aanhangende grond uit het zetmeelaardappelgebied op andere percelen terecht kan komen.

De NVWA verwacht dat het nog wel een aantal jaren kan duren totdat er aardappelrassen ontwikkeld zijn die ook tegen de toegenomen virulentie bestand zijn.

Chinese vijvermossel

De Chinese vijvermossel (Sinanodonta woodiana) is een behoorlijk groot tweekleppig weekdier. Zijn schelp kan een doorsnede bereiken van wel 30 centimeter. De hoogte is ongeveer gelijk aan de breedte, ze hebben een dikke gezwollen top en een afgeronde onderzijde. Van oorsprong komt de Chinese vijvermossel uit oostelijk Azië, maar werd door menselijke activiteiten een wereldwijd probleem. Intussen is deze exoot al in 21 Europese landen aangetroffen en ik vrees dat het niet zo lang gaat duren voordat Nederland aan die serie landen wordt toegevoegd.

Deze mosselsoort bereikte Europa via een aantal routes. Eentje daarvan was de invoer en het uitzetten van Aziatische vissoorten ten behoeve van de sportvisserij of ter bestrijding van veelal exotische waterplanten. Die verplaatsing vond en vindt niet alleen plaats via het kweekwater van de ingevoerde vissoorten, maar de larven van zoetwatermossels kunnen zich ook vasthechten aan de kieuwen en vinnen van – vooral – Chinese graskarpers en op die manier ongemerkt meeliften. Zelfs nu nog wordt dit weekdier door middel van visuitzettingen verspreid naar geïsoleerde riviersystemen, vijvers en meren. De Chinese Vijvermossel wordt ook nog steeds aangeboden in aquariumspeciaalzaken en tuincentra.

Het dier bewoont dezelfde soorten habitat als onze inheemse zoetwatermossels. Het is een groot dier, waardoor het een concurrent zal worden voor zowel ruimte als voedsel. De soort is bovendien beter bestand tegen vervuiling, slib en lage zuurstofgehaltes. De soort kan twee tot drie keer per jaar tot voortplanting komen, terwijl de inheemse soorten jaarlijks slechts één keer larven zullen produceren.

Dat is zeker geen goed nieuws. Roemenië was het eerste land waar de Chinese vijvermossel in 1979 opdook, maar al snel andere landen (Spanje en Frankrijk in 1982, Hongarije in 1984, Italië in 2003). In België werd hij voor het eerst in 1999 waargenomen. De waarnemingen bleven de eerste jaren beperkt tot locaties in Belgisch Limburg en Brabant, maar begin 2017 was het dan toch raak: de eerste waarneming in Oost-Vlaanderen.

Ga er maar van uit dat de Chinese vijvermossel binnenkort ook in Nederland zal opduiken. Zitten er mogelijk nog voordelen aan deze exoot? Hij wordt in zijn thuislanden ook gebruikt voor de produceren van parels. Dat zijn weliswaar echte parels, maar toch zijn ze commercieel niet interessant. Toch is dat beter dan niets. Bovendien is hij zeer smakelijk en in China bestaan er behoorlijk wat smakelijke recepten voor deze mosselsoort.

Ovaalronde krab

Op 10 januari 2017 vond Hylkje Voulon op het Noordzeestrand van Ameland een onbekende krab. Het dier bleek nog niet zo heel lang dood te zijn en dus moest deze krab levend aangespoeld zijn. Het probleem was dat het een voor Nederland onbekende soort bleek te zijn.
[Foto: Hylkje Voulon]

Al op het strand werden foto's gemaakt en de krab werd meegenomen en op alcohol gezet. Al snel bleek dat het om een soort uit de familie Atelecyclidae ging. Er kwamen twee soorten in aanmerking. Eén daarvan, de cirkelronde krab (Atelecyclus rotundatus), staat beschreven in 'De krabben van Nederland en België' en leeft in het Nederlandse en Belgische deel van de Noordzee, zij het schaars en verder van de kust. Aanvankelijk dacht men dat het om een exemplaar van deze soort moest gaan, maar met name de vorm van het schild kwam niet honderd procent overeen.

Pas na overleg met strandwachters en experts werd duidelijk om welke soort het ging. De Amelandse krab bleek de nauw aan de cirkelronde krab verwante soort Atelecyclus undecimdentatus te zijn. Deze mag vanaf nu ook op de lijst van Nederlandse soorten worden bijgeschreven.

In navolging van de Nederlandse naam voor Atelecyclidae rotundatus (cirkelronde krab) ligt het voor de hand als Nederlandse naam 'ovaalronde krab' te gebruiken. De soort wordt ietsjes groter dan de cirkelronde krab: in de literatuur wordt als diameter van de carapax (het rugschild) van de cirkelronde krab maximaal 40 millimeter opgegeven, met voor het schild een lengte-breedteverhouding van gemiddeld 0,98 (bijna rond dus). Voor ovaalronde krab geldt een gemiddelde lengte-breedteverhouding van 0,83 en is dus iets ovaler van vorm. Het exemplaar, dat op Ameland werd gevonden, had een breedte van 62 millimeter en een lengte van 48 millimeter, dus een lengte-breedteverhouding van 0,77.

De zuidelijke grens van de soort ligt in het water van de Atlantische Oceaan van West-Afrika. De soort heeft zich door de opwarming van de aarde waarschijnlijk steeds verder noordwaarts uitgebreid en zijn verspreidingsgebied reikte eerder al tot het Franse schiereiland Bretagne en het water van het Kanaal.

Al eerder spoelden er op de Nederlandse en Belgische kusten cirkelronde krabben aan, maar nu men zijn ovaalronde broertje heeft gedetermineerd is men aan het twijfelen geslagen: zouden die eerdere waarnemingen misschien ook al ovaalronde krabben geweest zijn?

Ook van de Waddenzee is bekend dat die opwarmt. Hierdoor trekken koudminnende soorten, zoals schol, meer noordwaarts, de Waddenzee uit. Andere soorten zoals zeebaars, griet, smelt en garnalen hebben weer profijt van de opwarming. En schelpdieren zoals het muiltje zijn meer voorkomend dan vroeger.

Watermeloen

De watermeloen (Citrullus lanatus) werd al meer dan 4000 jaar geleden aan de oevers van de vruchtbare Nijl verbouwd. De wilde voorouder is de citroenmeloen (Citrullus lanatus citroides) die nog steeds in de Afrikaanse Kalahariwoestijn groeit. In de 7de eeuw werden watermeloenen in India verbouwd en ze hadden rond het jaar 1000 China bereikt. Europese kolonisten en Afrikaanse slaven introduceerden de watermeloen in de 'Nieuwe Wereld' en het gewas werd in ieder geval in 1576 in Florida (USA) verbouwd.
[Citroenmeloen]
Met andere woorden: watermeloenen kunnen gezien worden als de eerste wereldreizigers. Het is tegelijkertijd een bewijs van hun populariteit. In Nederland werden de eerste watermeloenen pas in de jaren zestig van de vorige eeuw aangevoerd. Wij bleven lang onze traditionele fruitsoorten consumeren.

De watermeloen is een liggende of klimmende eenjarige plant met stengels die wel drie meter lang kunnen worden. De jonge scheuten zijn bedekt met gelige tot bruinige haren, maar ze verliezen hun wilde haren als ze ouder en houtig worden. De plant heeft grote, grijs-groene gelobde bladeren met een lengte tot 20 centimeter. De bloemen zijn éénslachtig (er zitten mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant) en geel tot wit van kleur. De vruchten, die afhankelijk van de soort kunnen variëren in gewicht van 1 tot 50 kg, bevatten vochtig, zoet vruchtvlees. Afhankelijk van het ras kan dat vruchtvlees diverse kleuren hebben, zoals rood, wit, roze, geel of oranje. De stamvader, de citroenmeloen, heeft wit vruchtvlees met rode zaden. Doordat de citroenmeloen na de oogst soms wel een jaar houdbaar blijken te zijn, waren ze tegelijkertijd een appeltje voor de dorst in barre en droge gebieden.
[Foto: Elly & Geert Kor: Verwilderde watermeloen]

Tegenwoordig hebben watermeloenen veelal rood vruchtvlees. Die rode kleur is het gevolg van lycopeen, dezelfde kleurstof die ook de tomaat zijn blozende rode kleur geeft. Overigens denkt men dat voldoende lycopeen in je lichaam een positief effect zou kunnen hebben op het ontstaan van prostaatkanker, al lijkt wetenschappelijk onderzoek dat feit voorlopig niet te kunnen bewijzen[1].

De watermeloen laat zich gewillig muteren en intussen zijn er meer dan 1200 verschillende rassen beschikbaar. Doordat de vrucht voor meer dan 90 procent uit water bestaat is zij zeer dorstlessend. Hij bevat maar 6 procent suikers, bevat geen vetten en heeft hoge gehaltes aan de vitamines A en C.

In Nederland wordt de watermeloen af en toe verwilderd aangetroffen. Officieel is het natuurlijk een soort die houdt van een woestijnklimaat, maar juist die bijna talloze variaties hebben er voor gezorgd dat enkele rassen zich ook in ons soms wat onbestendige en koelere klimaat perfect thuis voelen. Mensen, die een stuk watermeloen eten, spugen de zaadjes uit en de natuur zorgt voor de rest.

[1] Ilic et al: Lycopene for the prevention of prostate cancer in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2011

Kiwi

Nieuws zojuist van de telex geplukt (als die nog zou bestaan): It Could Soon Be Illegal to Grow Hardy Kiwis in Massachusetts. In de Amerikaanse staat Massachusetts kon het wel eens snel afgelopen zijn met de teelt van kiwi's (terwijl men het kweken van marijuana ofwel weed juist heeft gelegaliseerd).

De kiwi (Actinidia deliciosa) wordt gezien als een invasieve plant, die het goed lijkt te doen in de wat koelere klimaten. Biologen ontdekken steeds vaker ontkiemde zaden in nationale parken en bossen. Het blijkt dat ze het zo goed naar hun zin hebben dat ze de inheemse flora overwoekeren. Maar het zijn telers die zich de laatste paar jaar hebben gespecialiseerd in de verbouw van de kiwi, juist omdat ze zo goed bestand zijn tegen de lange en koude winters van het Amerikaanse noordwesten.
Maar ik weet niet of de schuld helemaal bij de telers moet worden gelegd, want zij zijn helemaal niet gebaat bij het feit dat vogels hun fruit opeten. Nee, ik geloof dat het vaker de consumenten zijn die van een heerlijke kiwi genieten en de zaden, samen met hun uitwerpselen, in de vrije natuur deponeren.

Een bewijs voor die stelling is niet moeilijk te vinden, want hier in Nederland worden geen kiwi's geteeld, maar toch worden regelmatig plantjes verwilderd aangetroffen op diverse plaatsen, zowel in binnensteden als die zo vrije natuur.

Meekrap

Meekrap of mede (Rubia tinctorum) is een overblijvende, groen overwinterende plant die een hoogte van 90 centimeter kan bereiken. Hij bloeit vroeg in de zomer met kleine gele bloemen. In de grond bevinden zich houtige wortelstokken, die wel een meter diep in de grond steken. De ronde zwarte steenvrucht bevat meestal maar een enkel zaadje.
Vermoedelijk is meekrap van origine afkomstig uit het oostelijk Middellandse Zeegebied en is al vroeg als geneeskrachtig kruid en als verfstofplant in West-Europa ingevoerd. De wortelstokken bevatten namelijk de dieprode kleurstof alizarine. Daarnaast werd de plant ingezet tegen reumatische klachten. Voor de beste opbrengst moest deze plant op kalkrijke klei worden verbouwd, waarin zij drie jaar moest groeien voordat de meekrap geoogst kon worden. Dat was rugbrekend zwaar werk: de wortels staken immers wel een meter diep in zware zeeklei.

Zeker sinds de twaalfde eeuw werd meekrap in het Zeeuwse Deltagebied verbouwd en dat ging zo goed dat Zeeland het voornaamste Europese teeltgebied werd. Toen in 1868 alizarine synthetisch kon worden bereid was het snel gedaan met de meekrapteelt.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Rubia, verwijst naar het Latijnse ruber, dat 'rood' betekent en dus de rode kleurstof beschrijft die uit de plant gewonnen kan worden. Het tweede deel, tinctorum, betekent uiteraard 'geverfd' in het Latijn. Het woord 'meekrap' is lastig te verklaren. 'Mee' is verwant aan het Oud-Engelse mæd, waaruit later meadow ('weiland') ontstond. Dieper gravend komen we uit bij mæþ, dat ooit 'oogst' of 'gewas' heeft betekend. 'krap' is verwant aan het Oud-Nederlandse woord 'krappe', dat iets van 'afkappen' betekende en verwant is aan 'kaf' (van het koren).

Aan de kleurvastheid van het meekrappigment heeft Nederland de rode baan in zijn vlag te danken. Oorspronkelijk waren de kleuren immers oranje, blanje, blue. Lang geleden werd dat oranje aangemaakt door het mengen van meekraprood met de gele kleurstof uit Wouw (Reseda luteola). Dat resulteerde in oranje, maar door inwerking van zonlicht verbleekte de gele kleurstof en bleef rood over[1].

Meekrap werd, behalve voor reumatische klachten, voor vele medische doeleinden ingezet. Daar moeten we maar niet meer mee beginnen omdat wetenschappelijk is vastgesteld dat een aftreksel van de plant kankerverwekkend is[2].

Intussen is de meekrap is ons land vrijwel uitgestorven. Kennelijk houdt hij toch meer van de wat Mediterrane temperaturen. Hij wordt de laatste paar jaar alleen nog waargenomen in een tweetal polders in Zeeland. Laten we het een cultuurhistorisch overblijfsel noemen. Een eretitel.

[1] Weeda, Westra, Westra, Westra: Nederlandse Oecologische Flora, deel 3 – 1988
[2] Inoue et al: Induction of kidney and liver cancers by the natural food additive madder color in a two-year rat carcinogenicity study in Food and Chemical Toxicology – 2009

Rijstwortelknobbelnematode

Soms vraag je je af waarom biologen en landbouwkundigen zo in de stress raken als er ergens ver van ons land verwijderd een klein wormpje ontdekt wordt. Dat was zojuist (18 november 2016) het geval omdat er in Italië een infectie met de rijstwortelknobbelnematode (Meloidogyne graminicola) in 25 rijstvelden werd gemeld.

De rijstwortelknobbelnematode staat wereldwijd bekend als een grote bedreiging voor rijst en kan zo'n ernstige schade berokkenen dat een groot deel van de oogst (tot ongeveer 75%) verloren kan gaan. Deze nematode is inheems in Zuidoost-Azië (India, China, Indonesië, Bangladesh, Maleisië), maar heeft zich ondertussen ook weten te vestigen in Noord-Amerika, Brazilië, Columbia en Zuid-Afrika.
De jonge nematodes (de juvenielen) doorboren in zo'n 40 uur de worteltoppen en vrouwelijke exemplaren ontwikkelen zich vervolgens in de wortel en leggen daarin ook hun eitjes. Gallen in de vorm van haken worden al na 72 uur gevormd. Die haakvormige gallen zijn het belangrijkste kenmerk om een besmetting met rijstwortelknobbelnematodes te herkennen.

Doordat de nematodes zich in de wortels ophouden zal de plant problemen krijgen om water en voedingsstoffen uit de bodem op te nemen. Daardoor blijven de planten klein (stunting), krijgen gele bladeren (chlorosis) en neemt hun algemene gezondheid ook af, waardoor ze weer vatbaarder worden voor andere besmettingen.

In ons land wordt geen rijst verbouwd en dus lijkt het probleem dat de rijstwortelknobbelnematodes hier kan opleveren maar beperkt te zijn. Maar stel dat u honger heeft en het blijkt dat er geen rijst meer in uw voorraadkast opgeslagen ligt, wat doet u dan? Precies, u grijpt naar andere voedingsmiddelen, zoals pasta of aardappelen. Datzelfde doet de rijstwortelknobbelnematode dus ook. Als er geen rijstplant voorradig is dan richt hij zijn aandacht op andere planten en men heeft ontdekt dat deze parasiet zich in meer dan honderd verschillende planten kan vermenigvuldigen. Ik noem er een paar: ui, kool, gerst, tarwe en maïs.

Dat de rijstwortelknobbelnematode nu in Italië is aangetroffen betekent dat hij steeds dichterbij zal komen. We moeten hopen dat de Italiaanse autoriteiten eindelijk eens daadkrachtig zullen gaan optreden, al stemt hun treuzelende reactie bij de besmetting met de Xylella fastidiosa, een schimmel in olijfbomen, mij niet optimistisch.

De rijstwortelknobbelnematode is een vervelende lastpak en die moeten we beslist niet in ons land toelaten, want hij kan de landbouw een behoorlijke schade toebrengen.

Mediterraan draaigatje

In 2013 werd onder een stoep in Wageningen een grote kolonie aangetroffen van het Mediterraan draaigatje (Tapinoma nigerrimum). Bij de ontdekking besloeg de kolonie een lengte van ongeveer 65 meter en in de loop van 2014-2016 is dat al ruim 120 meter geworden. Drukke straten van werksters lopen over de gehele lengte van de ene naar de andere nestopening. En hier bleef het niet bij, dit jaar zijn nieuwe kolonies gemeld uit drie andere steden.
Bij het Mediterraan draaigatje vliegen de nieuwe koninginnen niet weg om een eigen kolonie te beginnen, maar trekken ze het moedernest weer in om daar hun werksters te produceren. Zo kan er een superkolonie ontstaan, die andere mierensoorten zullen verdringen.

Deze mieren zijn vaak bestand tegen verstoring en kunnen daardoor dicht bij de mens leven, hetgeen, samen met de talrijkheid van koninginnen, zorgt voor een hoge kans op verslepingen naar andere gebieden. Het zijn alleseters, maar houden van bladluizen en dopluizen die aan planten zuigen.

Uiteraard komt het Mediterraan draaigatje van nature voor in het Middellandse Zeegebied. Deze mier stond tot voor kort niet bekend als een zich uitbreidende soort. In Frankrijk werd het Mediterraan draaigatje al langer als invasief gezien in de niet-mediterrane regio’s. In 2009 is de soort voor het eerst in Duitsland waargenomen, waar nu al enkele kolonies in verschillende steden zijn. In 2014 is een grote kolonie in België gevonden. Gezien het voorkomen in het stedelijk gebied lijkt de import met tuinplanten – potten met druiven- of olijfplanten – een goede mogelijkheid. In Duitsland werden kolonies met name aangetroffen bij tuincentra.

De mierenkolonies zorgen lokaal voor veel overlast, vooral veroorzaakt door de grote aantallen werksters. Bij alle vier de Nederlandse kolonies dringen mierenwerksters ook huizen in. Trottoirs worden dusdanig ondergraven dat tegels verzakken. Bovendien bijten de mieren en spuiten ze afweerstoffen.

In Nederland komen nu, met de komst van het Mediterraan draaigatje, vier van dit soort invasieve mierensoorten voor die we waarschijnlijk niet meer kwijtraken. Het Mediterraan draaigatje is ongetwijfeld al op meer plekken in ons land aanwezig. Bij nieuwe vondsten van deze soort, wordt verzocht contact op te nemen met EIS Kenniscentrum Insecten.

In Nederland is de overlast van invasieve mierensoorten tot nu toe beperkt tot het stedelijk gebied. De opwarming van de aarde zal de problematiek van exotische mieren in de toekomst waarschijnlijk wel vergroten. Het is dus zeer belangrijk om de populaties van de nu in ons land aanwezige invasieve mieren nauwlettend te volgen, zo stellen deskundigen.

De mieren worden bestreden door de omwonenden en door professionele bestrijdingsbedrijven. Dit is tot nu toe weinig succesvol omdat er zoveel koninginnen in een kolonie zitten. Toch is mijn welgemeende advies: blijf vooral spuiten!

Alsemcysteaaltje

De eerdere columns over het aardappelcysteaaltje zijn hier en hier te lezen.

Vaak zijn schadelijke organismen een ware ramp voor agrariërs. Het onnadenkende gesleep met zaden, stekjes, grond en niet schoongemaakt gereedschap is soms de oorzaak van besmette landbouwgrond. Veel vaker kan een akkerbouwer er maar weinig aan doen dat een cysteaaltje op zijn bouwgrond domicilie kiest. Plots blijkt de grond 'gewoon' besmet met plantenziekte opwekkende cystenaaltjes. We hebben het op deze plaats al eerder gehad over de gevaren van een besmetting met het aardappelcysteaaltje of het duizendbladcysteaaltje (Globodera achilleae).
Het alsemcysteaaltje (Globodera artemisiae) is een wat vreemde eend in de bijt. Deze soort is tot nu toe alleen aangetroffen in het uiterste oosten van Rusland, namelijk het Primorye Territorium in Siberië. De waardplant van het alsemcysteaaltje is de bosalsem (Artemisia rubripes). Da's goed nieuws, zult u opmerken, want oostelijk Rusland is heel ver weg en de bosalsem komt hier niet voor. Dat klopt allemaal, maar de natuur weet gewoonlijk wel raad met deze 'onmogelijkheden'.

Die alsemsoort komt in grote delen van Azië voor en begint zelfs een lastig onkruid te worden in westelijke delen van Rusland. Bovendien heeft wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het alsemcysteaaltje zich ook heel erg goed thuisvoelt op het wortelstelsel van de bijvoet (Artemisia vulgaris) en juist die plant is wél inheems in ons land.

Kanariepiet

Eerste exotische kanariepiet (Serinus nigrum) in Nederland gespot. Deze zeldzame verschijning is inheems in de omgeving van Smyrna (Turkije).

Sojabonen

Luzerne, sojabonen, lupinen, veldbonen en voedererwten telden in 2016 in ons land een gezamenlijk areaal van 9.000 hectare. Dat is slechts 0,5 procent van het totale landbouwareaal. Ondanks diverse nationale en Europese afspraken en stimuleringsmaatregelen zijn de arealen eiwitgewassen de laatste jaren maar weinig toegenomen.

Van de eiwitgewassen is luzerne veruit de belangrijkste. In 2016 was het areaal 8.300 hectare. Dat is 500 hectare meer dan in 2015, toen het areaal ook al was toegenomen. In 2016 werd dit gewas op 1.250 landbouwbedrijven geteeld, 100 bedrijven meer dan vorig jaar. Luzerne wordt wereldwijd verbouwd als veevoer.
De nieuwe belofte sojabonen (Glycine max) zakt in 2016 voor het eerst sinds 2010 terug in areaal. Ook het areaal niet-bittere lupinen neemt af. Van 2015 op 2016 daalde het areaal sojabonen van 190 tot 140 hectare, en dat van niet-bittere lupinen van 80 tot 40 hectare. Het areaal veldbonen nam met 60 hectare toe tot 420 hectare.

De teelt van eiwitgewassen staat de laatste jaren in de belangstelling. De lidstaten van de Europese Unie zijn voor ongeveer drie kwart van hun behoefte aan plantaardige eiwitten afhankelijk van invoer. Naar verwachting zal in de nabije toekomst de beschikbaarheid van eiwitrijke gewassen als soja onder druk komen te staan door de toenemende vraag uit landen als China en India. Binnen de EU zijn er daarom initiatieven genomen om de afhankelijkheid van ingevoerde soja te verkleinen door zelf meer eiwitrijke gewassen te gaan verbouwen. In Nederland worden al enige jaren proeven genomen met het verbouwen van eiwitrijke gewassen als sojabonen en lupinen. De regering is onlangs door de Tweede Kamer opgeroepen om kennisontwikkeling voor veredeling en teeltoptimalisatie van eiwitgewassen te bevorderen.
Daarnaast spelen vergroeningseisen van het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) van de EU een rol in de toenemende belangstelling. Het onderdeel vergroening van het nieuwe GLB bestaat uit drie maatregelen: het behoud van blijvend grasland, de gewasdiversificatie op bouwland en de verplichting 5 procent van het bouwland in te richten als ecologisch aandachtsgebied. Voor deze aandachtsgebieden heeft Nederland gekozen voor een invulling waarbij onder andere stikstofbindende gewassen (eiwitgewassen) geteeld mogen worden.

We recapituleren even: Om het gesleep van sojabonen uit ontwikkelingslanden tegen te gaan, waardoor tropisch regenwouden niet verder worden opgeofferd voor de teelt, proberen we in Nederland boeren enthousiast te krijgen om sojabonen te gaan telen. De boeren lijken echter nog niet overtuigd te zijn van de winstgevendheid of levensvatbaarheid van het gewas. Het zal u overigens niet verbazen dat de sojaboon intussen al een aantal keren verwilderd in Nederland is aangetroffen.

Zandambrosia

De zandambrosia (Ambrosia psilostachya) is een rechtopstaande, overblijvende plant die groeit als een slanke, vertakkende, strokleurige stengel tot een maximale hoogte van maximaal twee meter, al zal de plant vaker maar tot één meter reiken. De bladeren zijn tot 12 centimeter lang en vertonen wat verschillen in vorm: van lancetvormige bijna ovaal. Zowel de stengel als de bladeren zijn behaard. De bovenzijde van de stengel verwordt tot een fletsgele tot geelgroene piekvormige aar. De bloeiperiode is van juni tot en met november.
De zandambrosia is inheems in grote delen van Noord-Amerika (United States, Canada en noordelijk Mexico). Als de plantensoort zich nu een beetje gedragen had, was hij hier in ons land niet zo'n groot probleem aan het worden. De zandambrosia is min of meer per ongeluk meegevoerd met vogelzaad. Hoewel hij meer houdt van wat aangenamere klimaten ziet de zandambrosia toch kans om zich steeds noordelijker in Europa te vestigen.

In zijn thuislanden kun je hem op allerlei ondergronden aantreffen, maar hier lijkt hij zijn Nederlandse naam eer aan te doen, want hij wordt al enkele jaren voornamelijk aangetroffen in de Noord-Hollandse duingebieden. Nu hij zich hier eenmaal heeft gevestigd reproduceert hij zich via zaad en via zijn indrukwekkende ondergrondse wortelstelsel.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Ambrosia, herinnert aan de Griekse godenspijs ambrosia. Het Griekse woord ambrosios is een combinatiewoord van a (‘niet’) en mbrotos (‘sterfelijk’). Dat laatste is weer gerelateerd aan mortos dat in het Nederlands nog herkenbaar is in het woord ‘moord’. Samengevoegd betekent het ‘onsterfelijk’. Wat het verband is tussen die onsterfelijkheid en de plant, blijft raadselachtig. De planten zijn zeker niet onsterfelijk omdat veel soorten eenjarig zijn. Het tweede deel, psilostachya, is een combinatiewoord uit het Grieks, waarbij psilos 'naakt' of 'kaal' betekent en stachus 'aar'.

Zoals vrijwel alle ambrosia's staat ook de zandambrosia bekend om zijn allergieveroorzakend stuifmeel. De pollen die tijdens de bloei vrijkomen zijn zeer sterk allergeen. Dat betekent dat ze snel hooikoortsklachten veroorzaken. Daarbij bloeit de plant pas vanaf eind augustus tot en met oktober, waardoor het huidige hooikoortsseizoen met wel twee maanden verlengd kan worden.

De indianen trokken ooit een bittere thee van deze plant omdat ze meenden dat hij koortswerend was. Ondertussen heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat dit gebruik werkelijk het beoogde effect heeft. Bovendien lijkt het brouwsel zo bitter te zijn dat ook worminfecties als sneeuw voor de zon verdwijnen[1].

[1] Sülsen et al: Antiproliferative Effect and Ultrastructural Alterations Induced by Psilostachyin on Trypanosoma cruzi in Molecules – 2010

Amerikaanse zeekreeft

Het leven lijkt zo eenvoudig als je Wikipedia gelooft: Er bestaan (nog maar) twee soorten zeekreeften en ze worden allebei gevonden in de Noord-Atlantische Oceaan. De Amerikaanse zeekreeft (Homarus americanus) komt voor aan de kusten van Labrador (Canada) tot North Carolina (USA) en de Europese zeekreeft (Homarus gammarus) wordt aangetroffen in de kustwateren van Noord-Noorwegen tot aan Marokko.
Maar het gesleep met handelswaar over de hele wereld plus het nog steeds niet verplichte zuiveren van ballastwater van zeeschepen hebben er voor gezorgd dat de Amerikaanse zeekreeft in Europese wateren is aangetroffen en – ik ga er gemakshalve maar van uit – andersom is het ook het geval.

De Amerikaanse zeekreeft kan een lichaamslengte van zo'n 65 centimeter bereiken en een gewicht van 20 kilogram. De Amerikaanse zeekreeften zijn veelal blauwgroen tot groenig bruin met rode antennes. Zijn Europese tegenhanger is meer donkerblauw tot zwart gekleurd. Hij is met een lengte van 60 centimeter en een gewicht van maximaal 6 kilogram een stuk bescheidener van omvang dan de amerikaanse versie.
Al in 2007 werd in een verslag van de Werkgroep Exoten gemeld dat 'Kijkend naar de potentiële impact die de soorten kunnen hebben op het ecosysteem zijn de algen Verrucophora farcimen en Olisthodiscus luteus, de Amerikaanse zeekreeft (Homarus americanus), de koningskrab (Paralithodes camtschaticus) en de Japanse tapijtschelp (Ruditapes philippinarum) als soorten aangemerkt die mogelijk impact kunnen hebben op het functioneren van het ecosysteem van de Waddenzee. De algemene conclusie van deze risico studie is dat het risico van de introductie van exoten met de import van mosselen uit Noorwegen klein is maar niet afwezig. Het risico is klein omdat de kans en/of de verwachte effecten van de geïdentificeerde doelsoorten beperkt is, maar niet afwezig omdat er onzekerheden zitten in de analyses en uitspraken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat er exoten in de Noorse wateren over het hoofd zijn gezien of dat een geïntroduceerde exoot het beter blijkt te doen dan op dit moment is ingeschat'.

Je leest hier weer de verzamelde onzinnige zinnen van een besluiteloos clubje deskundigen. Tot nu toe is er geen enkele maatregel genomen die de mogelijke komst (de meeste genoemde voorbeelden zijn allang aanwezig) tegen te houden of (als ze eenmaal onze natuur zijn binnengeslopen) te bestrijden.

Amarant, Alsemambrosia en Monsanto

In ons land is de combinatie van Roundup en speciaal daarvoor ontwikkelde planten nog steeds het onderwerp van verhitte discussies, maar in de Verenigde Staten is men dat stadium allang voorbij. Het Amerikaanse biotechnologiebedrijf Monsanto produceert de onkruidbestrijder glyfosaat, meer bekend onder de merknaam Roundup. Het ontwikkelt ook maïs- en sojabonenrassen die resistent zijn tegen de werking van die glyfosaat. Je kunt dus probleemloos je onkruid bestrijden, terwijl je teelt onbeschadigd blijft.

De natuur laat zich echter niet dwingen en past zich voortdurend aan. Tweehuizige amarant, alsemambrosia en zandambrosia, alle drie lastig te bestrijden onkruiden, zijn ook in toenemende mate resistent geworden tegen glyfosaat. Als boer zit je dus met je handen in het haar: je spuit tegen onkruid en het onkruid vindt de herbicide lekker.
Monsanto heeft de slimme jongens in het laboratorium de opdracht gegeven om een oplossing te vinden. Die oplossing is er en die heeft de naam 'dicamba' gekregen. Zoals zo vaak hoort er bij een oplossing een nieuw probleem: je moet dus ook dicamba-resistentie in een sojabonenras zien in te kruisen, want anders gaat die ook dood.

En dit seizoen (2016) heeft Monsanto in de Verenigde Staten een nieuw sojabonenras geïntroduceerd met de naam Roundup Ready 2 Xtend. Het is de onderzoekers van Monsanto gelukt om naast een glyfosaat-resistentie nu ook een dicamba-resistentie in een sojabonenras te kruisen.

Het grote nadeel van de stof dicamba is dat het middel erg dampt en gemakkelijk verwaaid. Veel meer dan glyfosaat dat doet. Daarom wordt het in de Verenigde Staten bijna alleen maar toegepast in een voor-opkomstbespuiting, wanneer nog nergens gewas boven de grond uitkomt.
Monsanto claimt dat ze er alles aan gedaan heeft om akkerbouwers op hun hart te drukken dat het nieuwe ras niét met diacamba mocht worden bespoten. Echter, de verleiding bleek uiteraard te groot en vele hebben dat wel gedaan. Een grote groep boeren in de American Midwest claimt nu dat hun niet-resistente gewassen door het verwaaien van het bestrijdingsmiddel schade hebben ondervonden van deze bespuitingen.

Overigens heerst ook al twijfel over het blijvende effect van diacamba. Zo toonden onderzoekers al in 2007 aan dat in slechts drie generaties amarant resistentie kan ontwikkelen tegen diacamba[1].

[1] Behrens et al: Dicamba Resistance: Enlarging and Preserving Biotechnology-Based Weed Management Strategies in Faculty Publications from the Center for Plant Science Innovation - 2007

Bleek cypergras

Het bleek cypergras (Cyperus eragrostis) heeft, ondanks zijn ietwat nietszeggende naam, een aantal beroemde familieleden. Allereerst is daar papyrus (Cyperus papyrus), de rietsoort (of beter: zeggesoort) waar men mogelijk in de begintijd van de pharao's (3100 vC) al papier van maakte. In Mexico wordt cañita (Cyperus giganteus) gebruikt bij de imheemse bevolking om slaapmatten (petates) en hoeden (sobreros) van te maken.
Bleek cypergras is inheems in wat vochtige gebieden van de westkust van Noord-Amerika, de zuidoostelijke delen van de USA, Jamaica en grote delen van Zuid-Amerika. Het is een tot 80 centimeter hoge overblijvende vaste plant. Biologen vinden hem een hemikryptofyt (winterknoppen op of iets onder de grond) of een helofyt (winterknoppen onder water, bloeiende plant boven water). In onze omgeving vertoont hij zich echter vaak als een eenjarige therofyt (zonder winterknoppen). Hij (of zij) is tweeslachtig en is in het bezit van bloemen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Deze zeggesoort vormt grasachtige bladeren die in drie rijen boven elkaar staan ingeplant. De bladbasis is zwak roodbruin gestreept.

Bleek cypergras houdt van zonnige, warme plaatsen op natte, verstoorde grond. Meestal op plaatsen die 's winters onder water staan en van die vochtige plekjes is in Nederland geen gebrek.

In vele vakbladen wordt vaak gemeld dat het onbekend is hoe bleek cypergras er in is geslaagd om Europa te bereiken. De oudst bekende melding van bleek cypergras stamt al uit 1854 toen hij nabij Hamburg werd aangetroffen. Nederland werd net voor de Tweede Wereldoorlog bereikt. Ondertussen is de plant in vrijwel geheel Europa te vinden en dat is niet echt goed nieuws, want bleek cyperus is in staat om andere soorten te verdringen (to out-compete, zeggen de Engelsen) door sneller en vroeger te groeien dan andere planten.

Goed, we zeiden hierboven dat het officieel niet bekend is hoe bleek cypergras Europa heeft bereikt, maar ik kan je wel een suggestie aan de hand doen: “this species is often planted for its decorative value,” zo zegt een onderzoek. Verder kunnen zaadjes van bleek cypergras meegevoerd zijn als onkruid tussen andere geïmporteerde zaden, zoals graszaad en vogelzaad. Zelfs wol wordt genoemd als transportmiddel voor aangehechte zaadjes.

Zo zie je maar: als gevolg van de internationalisering van de handel zullen sommige planten iedere kans aangrijpen om zich naar verre oorden mee te laten liften.

Engelse veldiep

Iepen zijn forse bomen die in Noordwest-Europa na de laatste ijstijd verschenen. Men denkt dat het voornamelijk de veldiep (Ulmus minor) betrof. In Nederlandse bossen hadden de veldiepen tot ongeveer 3000 jaar geleden en belangrijke plaats. Daarna begon een langzame, maar voortdurende neergang, vermoedelijk als gevolg van klimaatveranderingen en menselijk ingrijpen. De bomen moesten steeds meer plaats maken voor grazige weiden. Hun standplaats bleek namelijk uiterst geschikt als weidegrond.

In de 20ste eeuw dook onder iepen een schimmelziekte op met verwoestende gevolgen: de iepziekte. Uit jaarringonderzoek bleek dat de eerste besmettingen hier al in 1918 hadden plaatsgevonden in iepen in Brabantse bossen.

Zoals zijn naam al aangeeft is de Engelse veldiep (Ulmus procera) voornamelijk te vinden in het Verenigd Koninkrijk. Laat je hem ongestoord groeien dan kan hij een hoogte bereiken van zo'n 35 meter. Hier werd de soort af en toe aangeplant. Ook de Engelse veldiep bleek zeer gevoelig te zijn voor deze schimmel.
De Engelse veldiep levert roodachtig bruin hout dat sterk, stevig en zwaar is en niet snel splijt. Het wordt vooral gebruikt voor meubels en voor doodskisten. Daarnaast is het bijvoorbeeld geschikt voor bruggen, heipalen en boten. Het hout is namelijk rijk aan looizuur en dat zorgt dat het minder snel vergaat dan andere houtsoorten.

Deze iepensoort is hier dus te beschouwen als een exoot omdat zijn wortels in Engelse bodem hebben gestaan. Maar dat is niet altijd het geval geweest. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat álle Engelse Engelse veldiepen (woordgrapje, sorry) afkomstig zijn van één enkel stekje[1]. Uit moleculair en historisch onderzoek is namelijk gebleken dat de Romeinen een stekje meenamen vanuit Italië naar het Iberisch schiereiland en van daaruit naar Engeland.

Waarom deden die Romeinen al die moeite? Omdat het hout van de Engelse veldiep zeer geschikt was om druivenplanten te ondersteunen: de boom groeide snel en het hout bleek goed bestand tegen het kille en natte Engelse weer.

Omdat alle Engelse veldiepen dus clonen van elkaar zijn, bleken ze als soort ook extra gevoelig voor die iepziekte. Als er eentje ziek werd, waren immers alle andere ook niet bestand tegen de gevolgen van een besmetting. Er bleek nog geen of veel te weinig genetische variatie te zijn.

De Engelse veldiep is dus niet alleen hier een exoot, maar eigenlijk is hij het ook in zijn thuisland.

[1] Gil et al: Phylogeography: English elm is a 2,000-year-old Roman clone in Nature – 2004

Taiwanese rattenslang

De Taiwanese rattenslang (Orthriophis taeniurus) is inheems in Zuidoost-Azië waar men een behoorlijk aantal ondersoorten weet te onderscheiden. Deze slangensoort kan een lengte bereiken van twee meter en is een populair terrariumdier. De Taiwanese rattenslang is een niet-giftige wurgslang die nooit een mens zou durven aanvallen. In het wild eet deze slang vleermuizen, maar bij gebrek daaraan schakelen ze snel over op ratten, muizen, kleine vogels, hagedissen en padden.
U weet hoe het verhaal ondertussen gaat: het komt nogal eens voor dat dieren uit hun gevangenschap weten te 'ontsnappen' en in de meeste gevallen worden ze daarbij een handje geholpen door hun eigenaren die na verloop van tijd uitgekeken raken op hun huisdier. Omdat het zielig is om ze de nek om te draaien worden sommige huisdieren losgelaten in de vrije natuur.

Omdat het doorgaans gaat over erg kleine aantallen, leidt dit bijna nooit tot vestiging van populaties. Ondanks het feit dat slangen maanden zonder eten kunnen, hebben ze de grootste moeite om voldoende voedsel te vinden, ontbreken soortgenoten om zich succesvol voort te planten en overleven slechts weinig van deze koudbloedige dieren onze winters. Tenminste, zo gaat het zo vaak, maar soms gaat het anders.

De vondst van een Taiwanese rattenslang in 2006 in Hasselt (België) viel in eerste instantie ook onder de noemer 'ontsnapt' exemplaar. Omwille van haar mooie tekening en kleuren is ze een veel voorkomend reptiel in de dierenhandel. Intussen werd door het Natuurhulpcentrum van Opglabbeek al een twintigtal exemplaren van de soort opgehaald in Kuringen. De herkomst van de dieren lijkt te herleiden tot een Belgisch Limburgse terrariumzaak, de meeste exemplaren werden gevonden in een straal van 500 meter rond de zaak.
Met de ontdekking van een nest met 6 eieren langs de spoorweg in Kuringen bij Hasselt staat het onomstotelijk vast: de Taiwanese rattenslang plant zich voort bij onze zuiderburen. Dankzij het opwarmende microklimaat langs de sporen en vlak bij steden lijkt het erop dat de populatie van de slangensoort in de toekomst alleen maar zal groeien.

Helemaal als een verrassing kwam het nieuws niet: de voorbije jaren waren al vaker volwassen en jongere exemplaren opgedoken langs de spoorlijn in Kuringen, wat deed vermoeden dat er sprake was van voortplanting. De vondst van zes eieren door spoorwegarbeiders vorige week bevestigt dat vermoeden.

Wellicht gaat het om meer dan een toevalstreffer en zal de populatie de komende jaren verder groeien. In de koelere Vlaamse natuur zou de Taiwanese rattenslang geen kans maken om zich voort te planten, maar de warmtecondities vlak bij de sporen of vlak bij een stadskern, waar de temperatuur altijd enkele graden warmer is, sluiten dichter aan bij de natuurlijke levensomstandigheden voor de soort. Het uitblijven van strenge winters is voor de koudbloedige dieren wellicht ook een goede zaak. Ook voedsel vinden in onze contreien blijkt geen probleem.

Bron.

Portugese laurierkers

Als je op internet en in de folder van je plaatselijke tuincentrum de navolgende verhalen leest over de Portugese laurierkers (Prunus lusitanica) dan weet je al waartoe deze column gaat leiden.

De Portugese laurier is een schitterende haagplant met een luxueuze uitstraling. Deze uit Portugal stammende laurier heeft glanzende bladeren (6-12 cm. lang) en prachtige dieproze twijgen. De bloemen zijn klein en wit en geuren sterk. Dit maakt de Portugese laurier enorm populair bij passerende vlinders en bijen. Wanneer de bloemen zijn uitgebloeid vormt de Portugese laurier bessen die enorm populair zijn bij vogels.
We hebben hier alle ingrediënten aanwezig om een lastig te bestrijden exoot in onze natuur te introduceren: de handel meent dat een haag uit het buitenland beter is dan een inheemse oplossing en er wordt een appèl gedaan op onze wil om de zo kwetsbare natuur te beschermen. Is de Portugese laurier immers niet populair onder vlinders en bijen? Daarna vormt de soort bessen die gewild zijn bij vogels. Jazeker, wat we hier hebben is een recept voor ellende.

En dus was het geen verrassing dat bioloog Ton Denters een exemplaar aantrof op het Stenen Hoofd in Amsterdam. Het was nog maar het tweede exemplaar dat ooit in ons land werd waargenomen, maar neemt u maar van mij aan dat er nog veel meer Portugese laurierkersen zijn die zich onopgemerkt een plekje in onze natuur hebben verworven.

Het is op deze plaats al zo vaak gezegd dat we ons moeten bezinnen of het wel zo verstandig is om voortdurend exotische bloemen en planten uit het buitenland te introduceren, maar de discussie stemt mij niet hoopvol.

Nadat de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) recent het dringende advies uit liet gaan dat vakantiegangers geen stekjes meer uit landen als Italië zouden moeten meenemen omdat daar een bacterieziekte heerst die olijfboomgaarden verwoest, waren op Facebook de reacties op dat artikel niet van de lucht. De meest zweverige mensen (voornamelijk vrouwen, moet ik hier treurig genoeg opmerken) vonden dat het allemaal maar een complot was om de handel te beschermen of nog erger. Wat maakte het uit? Het maakt zoveel uit dat, als die bacterie ons land bereikt, hij geen olijfbomen kan aantasten, maar hij zal zich snel kunnen aanpassen. Dan infecteert hij bijvoorbeeld kersenbomen of andere gewassen. Als dan blijkt dat de prijs van eerste levensbehoeften als groenten en fruit dramatisch gaat stijgen, gaan we achteraf de put dempen, terwijl het kalf allang verdronken is.

Rivierkreeftenpest

We mopperen veel op de invasieve exoten die onze natuur de laatste jaren komen bevolken. Vaak heeft menselijk ingrijpen die introductie zelf op zijn geweten, maar we zouden het probleem ook eens van een andere kant kunnen bekijken.

De planeet Aarde is continu onderhevig aan veranderingen in levensvormen. Dan weer heerst die soort en dan weer een andere. Soorten sterven uit, soorten veranderen. Stel dat Darwin gelijk heeft en dat de door de mens verspreide soorten het zelf maar moeten uitvechten. Survival of the fittest in zijn puurste vorm.
[Foto: rivierkeeft.wordpress.com]
Een voorbeeld kan dit inzicht duidelijk maken. De Europese rivierkreeft (Astacus astacus) heeft het moeilijk in ons land en iedereen maakt zich druk over de opmars van allerlei exotische rivierkreeften. Zie bijvoorbeeld de Everglades moeraskreeft (Procambarus fallax) of de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus). De voorstanders van onze ongerepte natuur maken zich sterk om al deze rivierkreeftjes het leven zo zuur mogelijk te maken. De EU heeft een vijftal soorten rivierkreeft zelfs op haar officiële dodenlijst gezet, waardoor lagere overheden meertjes en poeltjes moeten leegbaggeren als er een familie uitheemse rivierkreeftjes zijn intrek in heeft genomen.

Die nieuwe soorten zouden het leven van de (beschermde) Europese rivierkreeft zo moeilijk maken dat deze onze bescherming nodig zou hebben. De waarheid is iets anders: al rond 1870 dook plotseling de rivierkreeftenpest op. Dat is een ziektebeeld dat veroorzaakt wordt door een infectie met Aphanomyces astaci, een in het water levende schimmel. Opmerkelijk is dat de schimmel in strengere winters zelf sterft en dus hier eigenlijk niet thuis lijkt te horen.
De rivierkreeftenpest arriveerde al in 1859 in Europa en werd in Italië voor het eerst waargenomen toen Europese rivierkreeften daar plots veelvuldig het loodje legden. Men denkt dat de schimmel is meegereisd met uit Noord-Amerika geïmporteerde rivierkreeften. De Europese rivierkreeften hadden geen resistentie tegen deze ziekteverwekker en hun aantallen daalden dramatisch. Honderdvijftig jaar later heeft de Europese rivierkreeft nog steeds geen resistentie ontwikkeld en dat maakt hem een beetje een sukkel in de ogen van de evolutieleer van Charles Darwin.

Want als jij niet evolueert en je concurrentie wel dan moet je die concurrentie niet gaan uitroeien, maar die zou je eigenlijk moeten gaan koesteren. Bovendien zouden deze nieuwe rivierkreeftjes onze vaderlandse economie een aardige opsteker kunnen geven. Het blijft natuurlijk vreemd dat ze in Europa gearriveerd zijn omdat ze zo heerlijk smaken, maar dat Europese ambtenaren ze als hun doodsvijanden zien.

De bestrijding van deze 'vijand' kost veel geld en er is een hele keten verzonnen om die bestrijding in goede banen te leiden. Laat die 'subsidieslurpers' nu eens een stapje terug doen en laat de commercie gewoon zijn gang gaan.

Citrus Exocortis Viroid (CEVd)

Citrus exocortis is een ziekte die bij citrusbomen voorkomt en het wordt veroorzaakt door een piepkleine viroïde met de naam Citrus Exocortis Viroid (CEVd). Het kan een verminderde groei en een mindere opbrengst veroorzaken.

Het probleem is dat citrusbomen geënt moeten worden en de onderstam is vaak de Japanse bittere sinaasappel (Citrus trifoliata). Daarop ent men de sinaasappel, citroen of mandarijn. Laat nu die Citrus Exocortis Viroïde het vooral gemunt hebben op die Japanse bittere sinaasappel. Zorgvuldige selectie van de onderstammen heeft er wel voor gezorgd dat men een infectie met de Citrus Exocortis Viroïde zo veel mogelijk kan beperken, maar af en toe ontstaat er toch weer een vervelende infectie.

In Australië, waar het ziektebeeld rond 1930 voor het eerst werd waargenomen, noemt met het scaly butt ofwel 'schilferige stam'. De onderzijde van de stam, dát deel was immers een Japanse bittere sinaasappel, vertoont een schilferige bast.
Tegewoordig is de ziekte vrijwel wereldwijd aanwezig in bijna alle citrusproducerende regio's. Hoewel veel van de commercieel verbouwde citrusbomen symptoomloze dragers van de Citrus Exocortis Viroïde zijn, kan het toch voorkomen dat sommige exemplaren, waarvan men dacht dat ze tolerant (niet: resistent) zijn, wat achterblijven in de groei.

Nu bent u natuurlijk nauwelijks ongerust geworden omdat we hier in Nederland geen citrusvruchten verbouwen. Toch zijn we lang niet veilig voor deze lastpak omdat hij zich blijkbaar ook thuis voelt op een belangrijk gewas als tomaat. In tomaten leidt een infectie tot een vreemde groei van de bladeren: epinastie. Daarbij groeit de bovenkant van de bladeren sneller als de onderkant, waardoor de bladeren zich gaan oprollen. Opgerolde bladeren zijn ongeschikt voor fotosynthese en de plant zal verwelken.

Komt het Citrus Exocortis Viroid (CEVd) voor in Nederland? Voor het antwoord op deze belangrijke vraag gaan we naar de nVWA: Viroïden behorende tot de groep van de pospiviroiden - Potato Spindle Tuber Viroid (PSTVd), Citrus Exocortis Viroid (CEVd) en Columnea Latent Viroid (CLVd) - zijn verschillende malen vastgesteld in Nederlandse tomatenteelten, soms met ernstige schade. In de meeste gevallen bleef de oorsprong van de infecties onbekend.

Hoewel de oorsprong in Nederland vaak onbekend lijkt te blijven zijn er toch wel enkele verdachten aan te wijzen, want onderzoek heeft uitgewezen dat deze viroïde zich over de wereld verplaatst nadat hij zich heeft verstopt in populaire tuinplanten als verbena of springzaad. Het advies is dus om geen tuingereedschap te gebruiken in je tomatenkas.

Sainfoin (of Esparcette)

Sainfoin (Onobrychis viciifolia) is een oud gewas dat medio twintigste eeuw in de vergetelheid raakte. De sainfoin is een plant uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae) en dat toont hij door in bloeiende vorm veel op lupine (Lupinus spp.) te lijken. In het zuiden van Europa is hij langs de weg of in droge graslanden te vinden. De plant komt in Nederland zowel gekweekt als verwilderd voor, maar is dus gewoon een exoot.

Sainfoin bloeit van mei tot september met een donkerroze bloemkroon. De bloemen vormen een gerekte kegelvormige tros, terwijl een individuele bloem een doorsnede van circa één centimeter heeft. Uiteindelijk draagt de plant een peul die niet openspringt. Deze peul is maar klein, slechts tot acht millimeter lang en heeft stekelige kanten.
De heilzame werking van de vlinderbloemige als veevoer was al in een ver verleden bekend. Sainfoin betekent ‘gezond hooi’ in het Frans. Koeien vinden het een smakelijk voedergewas. Bovendien bevat het tannines. Dat zijn bio-actieve stoffen die ervoor zorgen dat de eiwitvertering van het gras in de pens van de koe efficiënter verloopt. Daardoor verbetert de eiwitvoorziening van het vee. Bovendien werken de tannines preventief tegen trommelzucht (gasophoping in de pens) en worm- en nematodebesmettingen, en verminderen ze de methaanuitstoot. Bijkomend voordeel is dat sainfoin een vlinderbloemige is, die stikstof uit de lucht opneemt, zodat de plant ook nog eens goed presteert op weinig bemeste grond.

Tot diep in de jaren 50 van de vorige eeuw was sainfoin een belangrijk voedergewas in onze regio. Uiteindelijk moest hij plaats maken voor gewassen met een hogere opbrengst, zoals alfalfa en klaver.
Zoals zo vaak ook elders het geval is hebben boeren echter te snel gemeend dat een hogere opbrengst ook economisch voordelen opleverde. In dit geval zaten ze er toch ietwat naast. Recent zijn de resultaten naar buiten gebracht een onderzoek van de WU Wageningen en daaruit bleek dat koeien, die bijgevoederd werden met sainfoin, een tien procent hogere melkopbrengst hadden en tien procent minder methaan uitstootten[1]. In een Griekse studie kon de uitscheiding van besmettelijke coccidiën (protozoa parasieten) in de mest bij schapenlammeren tot de helft worden teruggebracht bij het voederen van esparcettehooi in vergelijking met luzerne in de controlegroep[2].

Dat de wetenschappers de geschiedenis wat uit het oog zijn verloren blijkt uit het feit dat ze sainfoin vooral zien als 'alternatief voor de voedergewassen luzerne en klaver op melkveebedrijven op armere grond'. Hetgeen betekent dat dit een gevalletje is van histoire se repête ofwel 'de geschiedenis herhaalt zich'.

[1] Huyen: Sainfoin (Onobrychis viciifolia): a forgotten crop for dairy cows with future potential (thesis) - 2016. See here.
[2] Saratsis et al: In vivo and in vitro efficacy of sainfoin (Onobrychis viciifolia) against Eimeria spp in lambs in Veterinary Parasitology - 2012

Kazachstaanse paardenbloem

Nee, de Kazachstaanse paardenbloem (Taraxacum kok-saghyz) komt nog niet als exoot in de Nederlandse natuur voor, maar dat gemis zal binnenkort wel worden beëindigd. De Kazachstaanse paardenbloem kent namelijk een interessant trucje: hij kan rubber aanmaken in zijn wortels.

Rubber wordt nu nog commercieel gewonnen uit de bast van de rubberboom (Hevea brasiliensis), inheems in het Braziliaanse regenwoud, maar daar leidt hij wegens voortdurende schimmelinfecties een wat kwijnend bestaan. Intussen wordt de soort zo'n beetje over de hele aardbol aangeplant in tropische zones met meer dan een meter aan jaarlijkse regenval. Het duurt een tijd voordat een rubberboom melksap of latex gaat produceren en uit die latex wordt rubber gewonnen. De boom is nogal vatbaar voor allerhande plantenziekten en daarom moet er veel gif gespoten worden. Het werk op een rubberplantage is dus zwaar, warm en niet geheel van gezondheidsrisico's ontbloot. Door de toegenomen vraag de prijs van rubber de laatste jaren ook nog eens verdubbeld.
Daarom kijken onderzoekers ook met de nodige interesse naar de Kazachstaanse paardenbloem. Er zit een relatief hoog gehalte (tot 15 procent) latex (ofwel poly-isopreen) in de wortels verborgen. Het probleem is echter dat de Kazachstaanse paardenbloem niet gezegend is met een enorm wortelstelsel, waardoor de totale rubberopbrengst natuurlijk behoorlijk tegenvalt.

Geen probleem vinden Nederlandse onderzoekers, want ze kunnen die Kazachstaanse paardenbloem eenvoudig kruisen met onze vaderlandse wilde paardenbloem (Taraxacum officinale). Als wilde plant ligt de opbrengst van de Kazachstaanse paardenbloem op rond de 200 kilo rubber per hectare, veredeld als plant met dikkere wortels kan dat oplopen tot 500-700 kilo per hectare. Door de Kazachstaanse paardenbloem te kruisen met de Nederlandse ligt de opbrengst naar verwachting nog hoger: 1000 kilo per hectare. Uiteindelijk is een fabriek nodig om de rubberproductie van het latex in de plant uit te voeren, maar het zal nog wel een tiental jaren duren voordat ze dát stadium bereikt hebben.

De onderzoekers dromen evenwel al over suikerfabrieken, die alleen tijdens de suikercampagne in het najaar in vol bedrijf zijn. Die ruimte in de planning van zo'n fabriek kan later mooi gebruikt worden voor de productie van rubber.

Ondertussen onderzoeken studenten van de Wageningen UR, samen met KeyGene, ook een andere stof in de wortel: inuline. Deze stof (het inulinegehalte in de wortel is ongeveer 30 procent) kan gebruikt worden als bouwsteen voor biologisch afbreekbare plastics.

Het zal dus in de afzienbare toekomst mogelijk zijn dat de helgele velden vol paardenbloemen niet meer gezien wordt als een weiland vol onkruid, maar als een voorbeeld van een duurzame landbouwmethode. Vervolgens zullen de eerste hybrides ontsnappen en is onze natuur weer een exoot rijker.

[Update 19 juni 2016] Landbouwuniversiteit Wageningen ziet kansen en mogelijkheden. Zie hier. De productie vindt nu nog op bescheiden schaal plaats. Op proefvelden in Zeeland en België is ongeveer twee hectare ingezaaid. Dit moeten er na de volgende oogst zes worden.

Tropische kieuwworm

De tropische kieuwworm (Branchiodrilus hortensis) werd in 1910 voor het eerst ontdekt tussen de vegetatie van een kleine kunstmatige vijver in de Lawrence Gardens in Lahore, Pakistan (toen Brits-Indië). In de wereld zijn inmiddels drie vertegenwoordigers van het genus Branchiodrilus bekend: Branchiodrilus semperi uit India, Branchiodrilus cleistochaeta uit Afrika en Branchiodrilus hortensis uit Zuid-Azië, Australië en Afrika. De tropische kieuwworm komt in Azië ook voor in Japan op het eiland Hokkaido, in het Chanka meer en de benedenlopen van de Amur in zuidoostelijk Rusland. De tropische kieuwworm is vooralsnog de enige variant die een Nederlandse soortnaam heeft gekregen.
De tropische kieuwworm is eenvoudig te herkennen aan de aanwezigheid van paren van lange kieuwdraden over vrijwel het gehele lichaam, die aan het begin het langst zijn en kleiner worden richting het achterlijf. Vanaf segment zes is vrijwel op elk segment aan beide zijden van het lichaam een kieuwpaar aanwezig. De eerste kieuwdraden zijn ongeveer drie keer zo lang dan het segment breed is. De voorste, en tevens langste kieuwen worden tot zo’n 1,5 millimeter mm lang. In de kieuwen bevinden zich bloedvaten en spelen een rol bij de ademhaling. De wormen zijn gewoonlijk zo’n 2 centimeter lang. De soort kan echter 5 centimeter of meer lang worden in zijn natuurlijke habitat. Een ander opvallend kenmerk is de bandvormige zwarte pigmentering van het voorlijf. Door deze afwijkende bouw ten opzichte van alle andere bekende borstelwormen is deze soort zelfs met het blote oog herkenbaar.

De eerste exemplaren van de tropische kieuwworm werden verzameld in 2002 in de Giessen bij Giessenburg. Twee andere vindplaatsen bevinden zich ook in het stroomgebied van de Giessen. In 2004 is de soort al aangetroffen in de Aa bij den Bosch.

Het is onduidelijk hoe de tropische kieuwworm in Nederland terechtgekomen is. Aan de Giessen liggen veel tuinen en mogelijk kan deze soort met het uitzetten van exotische waterplanten in het water beland zijn. In de Giessen en directe omgeving worden regelmatig exotische waterplanten als de moerashyacinth (Pontederia cordata), watersla (Pistia stratiotes) en waterhyacinth (Eichornia crassipes) aangetroffen. Met uitzondering van het Afrikaanse snoekkruid (Pontederia cordata) komen deze waterplanten echter vooral uit Amerika. Verder kunnen bijvoorbeeld recreanten, aquariumhouders, winkeliers en schepen (met name ballastwater) een rol bij de verspreiding hebben gespeeld.

De tropische kieuwworm is natuurlijk niet op eigen kracht naar ons land gezwommen en dus moet hij behoorlijke hulp gehad hebben van de mens. Kennelijk is de handel in 'ongeschoonde' waterplanten een belangrijke oorzaak van de verspreiding van deze exoot. Dat die waterplanten vervolgens klakkeloos en gedachteloos in het oppervlaktewater worden gegooid is al helemaal onnozel te noemen.

Vijg

Sommige exoten hebben zo hun voordelen en als de nadelen niet al te groot zijn dan wensen we hen soms zelfs een warm welkom toe. Een voorbeeld daarvan is de vijg (Ficus carica). Het is een belangrijk voedingsgewas in zijn oorspronkelijke inheemse gebieden in het Midden-Oosten en westelijk Azië. Sinds onheugelijke tijd is de vijgenboom gecultiveerd en zijn populariteit heeft de boom over de hele wereld doen verspreiden.

De vijgenboom eindigt als behoorlijk grote struik of tot een boom met een maximale hoogte van een meter of tien. Diens geurige grote bladeren zijn uiteraard bekend als het vijgenblad waarmee Adam en Eva hun edele delen probeerden te bedekken. Waarvoor dat was is mij nooit duidelijk geworden want voor wie deden ze dat? Als je het eerste menselijk koppel op aarde bent is schaamte wel het laatste waar je aan denkt.
In wilde toestand produceert de vijgenboom driemaal per jaar bloemen en vruchten. Aan de buitenzijde lijkt de bloem nog het meest op een onrijpe groene vrucht. Zij is gevormd uit de tot een harde schil peervormig uitgegroeide bloembodem. Aan de binnenzijde bevinden zich in een holle ruimte de werkelijke bloemetjes; de vrouwelijke onderin, de mannelijke boven bij de zeer kleine opening. De bevruchting van de vijg vindt plaats door de vijgenwesp, een kleine galwesp (Blastophaga psenes) die samen met de vijgenboom is geëvolueerd, en door de opening naar binnen kan dringen. Na bevruchting ontwikkelen de vrouwelijke bloemen hun zaden. De vijg gaat rijpen, verandert van kleur en geur en wordt zacht, ook de schil. Het vruchtvlees is groen of rood, smaakt aangenaam zoet en zit barstensvol kleine zaadjes.

Die vijgenwesp komt hier echter niet voor en dat betekent dat de vijgenboom hier niet bevrucht wordt en dus ook geen vrucht zal dragen. Daar heeft de wetenschap echter iets op gevonden: Om ook in ons gematigde klimaat eetbare vruchten te krijgen zijn er zogenaamde parthenocarpe cultivars ontwikkeld. Dit wil zeggen dat de planten vruchten ontwikkelen, zonder dat er een bevruchting aan te pas komt. Een bijkomend voordeel van deze maagdelijke vruchtzetting is dat deze variëteiten vrij zijn van pitten.
Vijgen hebben nog steeds geen vaste plaats in onze nationale eetcultuur gekregen en dat is jammer want vijgen zijn gezond en superlekker. Die vijgen worden voornamelijk rauw of gekonfijt (geconserveerd in suiker) gegeten. Ook kunnen ze tot jam verwerkt worden. Vijgen hebben een ietwat laxerende werking.

In onze natuur wordt de vijg in toenemende mate verwilderd aangetroffen. Omdat ze dan uit pitjes zijn opgeschoten betekent het dat we nooit kunnen genieten van die heerlijke vijgen. Zonder vijgenwesp krijg je immers geen vijgen en vijgen die zonder vijgenwesp vijgen opleveren hebben geen pitten. Dus die mogelijke voordelen blijken dus een stuk kleiner te zijn dan gehoopt.

Kassprinkhaan

De kassprinkhaan (Diestrammena asynamora) komt van oorsprong uit China, waar de dieren in grotten leven. Het zal je niet verbazen dat ze zijn door gesleep met plantenmateriaal over de hele wereld verspreid zijn geraakt. Soms overleven tijdelijk ze in kunstmatige grotmilieus als kassen en kruipruimtes van gebouwen.

De kassprinkhaan is een behoorlijk groot insect van zo’n twee centimeter, waarbij de lange poten en sprieten zelfs niet eens zijn meegerekend. De dieren zijn helemaal aangepast aan het leven in grotten. Ze zijn vleugelloos en hebben lange sprieten aan de kop en aan het achterlijf (cerci genoemd), waarmee ze al tastend hun weg in het donker vinden.
Verspreiding in Nederland In de loop der jaren is de kassprinkhaan op behoorlijk veel plaatsen aangetroffen in ons land. Meestal gaat het om een enkel exemplaar, maar soms handhaaft zich tijdelijk een populatie, zoals in een kamerplantenbedrijf in ’s Gravenmoer (1973-1980), een woonwijk in Hoogeveen (eind jaren 1980) en een woonwijk in Tilburg (2005-2009). Het valt op dat er sinds de jaren 1920 tot aan 2014 veel losse waarnemingen uit Leeuwarden en omgeving afkomstig zijn. Toch was de ontdekking van een grote populatie in een verzorgingshuis in Noord-Bergum (ofwel Noardburgum) te Friesland een verrassing.

Bewoners klaagden al een tijdje over het feit dat ze soms enorme 'springspinnen' op de gang aantroffen. Pas in 2012 kreeg een in insecten geïnteresseerde medewerker een dood exemplaar onder ogen en toen was de conclusie snel getrokken: een kassprinkhaan.

Het zorgcentrum is een groot complex met zo’n 25 geschakelde gebouwen, die grotendeels voorzien zijn van een kruipruimte. Op vele plaatsen is de kassprinkhaan inmiddels aangetroffen, waarbij het soms gaat om tientallen dieren per kruipruimte. De totale populatie is naar schatting enkele duizenden exemplaren groot. Navraag bij het oudere personeel leerde dat de kassprinkhaan daar al minstens 40 jaar voorkomt. Het betreft waarschijnlijk de grootste populatie van de kassprinkhaan in Europa.

Door hun grootte en onverwachte gedrag kunnen ze mensen soms schrik aanjagen en de dieren gaan ’s nachts ook wel op zoek naar eten en kunnen dan aan kamerplanten knagen. Het personeel en de bewoners van het verzorgingscomplex in Noardburgum hebben de kassprinkhaan in hun hart gesloten. Daarbij heeft de aandacht van buiten zeker geholpen. Eind 2014 was er een filmploeg van Vroege Vogels over de vloer om het verhaal vast te leggen en begin 2015 vond zelfs een excursie plaats voor een tiental sprinkhaankenners. De toekomst van de populatie is overigens onzeker omdat er plannen zijn om het zorgcomplex grondig te restaureren.

De kassprinkhaan is in principe een onschadelijke exoot, maar ze horen hier natuurlijk niet thuis.

Dadelpalm

Je gelooft het misschien niet, maar zelfs de dadelpalm (Phoenix dactylifera) wordt soms in ons land verwilderd aangetroffen. Weliswaar treffen we hem vrijwel altijd aan in het centrum van oudere binnensteden waar de temperatuur wat hoger blijft dan in de winderige buitenwijken of de vrije natuur. De dicht opeen gebouwde huizen weerkaatsen ook het zonlicht en de gebrekkig isolatie van de woningen helpt ook om de temperaturen iets dragelijker te maken voor de dadelpalm. Uiteraard groeien deze dadelpalmen zelfs daar niet uit tot grote dadelsdragende palmbomen, maar overleven doen ze wel.

In wat meer warmere omstandigheden kan een dadelpalm tot 20 meter hoog worden met tot zes meter lange bladeren. Het duurt 4 tot 8 jaar voordat de dadelpalm voor het eerst vruchten zal produceren, maar als ze daarmee beginnen kunnen ze per oogst wel 150 kilo aan dadels opleveren.
[Dadelpalm - Niet in Nederland gefotografeerd]
Dadels vormen in grote delen van het Midden-Oosten een belangrijk onderdeel van de dagelijkse voeding. Men denkt zelfs dat dadels al rond 7000 vChr voor het eerst werden gecultiveerd in wat nu westelijk Pakistan is. De oude Egyptenaren gebruikten de vruchten voor het maken van wijn.

De naam 'dadel' – net als zijn Engelse vorm date – is een verbastering van de wetenschappelijke soortnaam. Dactylifera is namelijk afgeleid van het Griekse woord daktulos, wat 'vinger' betekent en de langwerpige vorm van het fruit beschrijft.

Eigenlijk is het vreemd dat men in Noordwest-Europa geen liefhebber is geworden van de zoete dadels. Zou juist die zoetheid ons meer doen verlangen naar de Mediterrane zon? Houden wij juist van zure en bittere fruitsoorten omdat daar wellicht de zo noodzakelijke vitamines en mineralen in zouden zitten? Een onbewuste hang naar 'bitter in de mond, maakt het hart gezond'?

Ik geloof daar niets van. Ik denk dat het gewoon te maken heeft dat dadels in het verleden niet lang genoeg 'goed' bleven en daardoor niet in de groente-afdeling van de supermarkt terecht kwamen. We gaan steeds meer op vakantie naar exotische landen, gaan steeds meer houden van exotische gerechten en dus is de dadel ook aan een voorzichtige opmars in ons land bezig.

En juist dat is de reden dat we hem in toenemende mate in het wild zullen aantreffen. Het is immers een heerlijke en gezonde snack die eenvoudig vele ongezonde tussendoortjes kan vervangen. Maar een dadel heeft een pit en die pit spuug je uit of gooi je weg. De natuur weet wel raad met zo'n buitenkansje. Nu moet de global warming nog een beetje doorzetten en we kunnen ons wanen aan de kusten van de Middellandse Zee.

Grote kroosvaren

Kroosvaren (Azolla filiculoides) is inheems in warme tot tropische regionen op het Amerikaanse continent. Bovendien komt het van origine voor in grote delen van Azië en Australië. Lees het voorgaande even opnieuw door en je zult opmerken dat Nederland niet voorkomt in de normale leefgebieden van deze waterige varensoort.

Inderdaad wordt het kroosvaren gezien als een watergebonden varensoort. Het staat bekend om zijn supersnelle groei en het is in staat om wateroppervlaktes binnen enkele maanden volledig te overwoekeren. Iedere individuele plant is slecht één tot twee centimeter in doorsnede, is groen tot rozepaars van kleur. Tijdens de onbelemmerde groei breken voortdurend stukjes van de plant af, drijven weg en zullen elders een nieuwe poging wagen de sloot, gracht of plas te bedekken.
Ooit, lang geleden was het grote kroosvaren inheems in Nederland. Tijdens het Pleistoceen (circa 3 miljoen jaar geleden tot circa 11,700 jaar geleden) was deze waterplant een bekende verschijning in ons land. De ijstijd maakte een eind aan diens voorkomen. Aha, zo zullen sommige lezers opmerken, dat grote kroosvaren kan onze strenge winters dus niet overleven en dus is er geen enkel probleem. Niet waar, zullen anderen opmerken, want de vaderlandse winters zijn niet meer zo streng als vroeger en bovendien is de natuur veel te vaak in staat om onze hoop en verwachtingen te doorkruisen. Zo ook bij het groot kroosvaren. Weliswaar is deze vlotvarensoort niet echt een liefhebber van koude klimaten en zal het in wat mildere klimaten afsterven, maar toch zal het weten te overleven door knoppen die onder water in een soort winterslaap gaan en opnieuw tot leven komen als de temperaturen wat dragelijker worden.

Het concurreert succesvol met andere waterplanten doordat het uiteindelijk het zonlicht wegvangt voor alles wat leeft. Daardoor sterft de vegetatie daaronder af, waardoor een rottende massa zal ontstaan. Vervolgens ontstaat zuurstofgebrek en de volgende slachtoffers zijn de vissen en andere in het water levende organismen.

De mens heeft het grote kroosvaren onnadenkend in Europa ingevoerd. De soort werd al in 1880 in Europa geïntroduceerd bij de Franse plaats Bordeaux. Nog steeds zijn de waterwegen in Zuidwest-Europa de plekken waar het grote kroosvaren het meest wordt aangetroffen, maar zijn opmars is nauwelijks tegen te houden. In ons land is het inmiddels een vervelende lastpak geworden. Men denkt dat er verschillende methodes zijn geweest die hebben meegeholpen met de introductie van de soort: watervogels kunnen zaadjes tijdens hun trektocht hebben meegevoerd aan hun poten of in hun veren, onbehandeld water in ballasttanks van zeeschepen en, jawel, aquariumhouders hebben zeker overtollige planten in het oppervlaktewater gekieperd.