Japanse mossel

Na de onnadenkende introductie van de Japanse oester (Crassostrea gigas) in onze nationale zeewateren mocht je misschien hopen dat het ergste achter de rug zou zijn. De Japanse oester echter verdringt nog steeds de platte oester (Ostrea edulis) en die laatste zit nu bijna in een verdomhoekje, een niche zoals biologen zeggen.

Dan hebben we de inheemse gewone mossel (Mytilus edulis), die het al lastig genoeg heeft met exoten als de Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha), Aziatische korfmossel (Corbicula fluminea), Amerikaanse boormossel (Petricolaria pholadiformisen) en nog wat andere verwante lastpakken. Er ligt echter nog een exoot op de loer die onze inheemse mossel het leven verder zuur kan maken, de Japanse mossel (Arcuatula senhousia).
In het ballastwater van een drietal schepen in de Eemshaven en de haven van Delfzijl zijn recent namelijk sporen van diverse uitheemse organismen aangetroffen[1]. Zes soorten waren nog niet eerder in Nederlandse wateren waargenomen, daaronder de Japanse mossel. Deze soort heeft zich vanuit de Stille Oceaan over de hele wereld verspreid met vaak negatieve gevolgen voor het lokale ecosysteem.

De Japanse mossel is een kleine tweekleppige die van oorsprong langs de kusten van Siberië tot aan Singapore voorkomt. Hij wordt maar zo’n twee jaar oud, maar kan zich snel vermenigvuldigen als hij zich eenmaal ergens heeft gevestigd. Het dier vormt een dichte laag van byssusdraden om zijn schelp heen die met de draden van soortgenoten vervlochten kunnen raken. Zo kunnen zich dichte matten vormen. De Japanse mossel heeft een voorkeur voor een zachte ondergrond. Hij leeft vooral in het getijdengebied tussen de hoog- en laagwaterlijn, maar is ook wel waargenomen op permanent onder water gelegen bodems tot 20 meter diepte.

De Japanse mossel heeft een brede zout- en temperatuurtolerantie en kan daardoor eenvoudig in nieuwe omgevingen aarden. Vanuit zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied is de soort geïntroduceerd in Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en het Middellandse Zeegebied. Via het ballastwater van schepen of als aangroei van scheepswanden is hij vermoedelijk in Australië en Nieuw-Zeeland terecht gekomen. Bij de introductie in het Middellandse Zeegebied speelde de kweek van de Japanse oester mogelijk een rol. Ook bij de introductie langs de westkust van de Verenigde Staten, is de Japanse mossel waarschijnlijk meegelift bij de import van deze oestersoort.

Wetenschappers van Wageningen Marine Research (WMR) vrezen dat de Japanse mossel, als hij de wadplaten van de Waddenzee koloniseert, ook hier de groei en het herstel van het zeegras verhindert. En dat terwijl er juist programma’s lopen voor het herstel van zeegras in de Waddenzee. Of de Japanse mossel al aanwezig is, vraagt nader onderzoek. In het ballastwater van de door WMR onderzochte schepen werd DNA van de soort aangetroffen. Als dit van eieren of larven is, dan kan de soort hebben overleefd en zich in Nederland hebben gevestigd.

Het rapport van Wageningen Marine Research verzucht nog hoopvol 'The species is not yet reported in the Wadden Sea or North sea region'. Not yet.

[1] Slijkerman et al: Monitoring Groningen Sea Ports: Non-indigenous species and risks from ballast water in Eemshaven and Delfzijl - 2017. Zie hier.

No comments:

Post a Comment